Van burn out naar beter #1: ‘Alles doet me pijn’

Krista Hogenboom is coach en heeft haar eigen coaching praktijk: steppingup.nl. In 2010 kreeg ze een burn out, waardoor ze kritisch naar haar eigen levensgeluk keek. Haar zoektocht leidde uiteindelijk naar haar huidige werk, waarin ze zich wijdt aan het levensgeluk van anderen. In ‘Van burn out naar beter’ vertelt ze over de tijd van haar burn out.

Ik huil. Alles doet pijn. Mijn hoofd, mijn lijf, mijn ogen, mijn hart. Ik voel me als een waterbassin met een gat erin. Het gat is eerst klein, maar nu de dam gebroken is, stroom ik leeg. Sneller en sneller gaat het, tot er niets meer over lijkt te zijn. De hele nacht ben ik al beneden in de woonkamer. Steeds opnieuw zet ik kamillethee. Een handeling die ik dwangmatig keer op keer herhaal. Water koken, overschenken in een kop, zakje erin, terug naar de bank. Zo heet mogelijk drinken. Weer naar de keuken, nog een kop. Dit is nu mijn enige houvast. Thee zetten. Dat kan ik.

Als hij me een stevige knuffel geeft is alles daarna weer goed. Toch?

Om halfzes ’s ochtends ga ik naar boven. Mijn lief slaapt nog, over een uur moet hij opstaan. Ik aarzel wat. Zal ik hem wakker maken en hem zijn laatste uurtje slaap ontnemen? Ik weet eigenlijk wel dat ik geen keus heb. Ik voel me schuldig, maar ik kan niet anders. Ik weet niet meer hoe het verder moet, en heb iemand nodig die me weer overeind helpt. Hij kan vast voor me verhelderen wat er met me is. Dan zal hij me een stevige knuffel geven en is alles weer goed. Toch? Ik doe hard mijn best om dat te geloven, maar het lukt me niet. Het komt helemaal niet goed. Mijn hele wezen brokkelt af, en diep vanbinnen weet ik al dat dit een moment is dat ik al heel lang probeer af te wenden. Het moment waarop alles voorgoed zal veranderen.

Ik snik dat ik het allemaal niet meer weet. Het is te veel, te groot, ik geef het op

Ik ga op het bed zitten en leg mijn hand op zijn schouder. ‘Liefje? Word eens wakker?’ Hij opent slaperig zijn ogen, en is dan in één keer klaarwakker als hij mijn opgeblazen gezicht ziet. ‘Het gaat niet zo goed met me, geloof ik’, zeg ik. En dan volgen er opnieuw eindeloos veel tranen. Ik snik dat ik het allemaal niet meer weet. Geen idee heb hoe ik nog langer mijn hoofd boven water kan houden. Het is te veel. Te groot. Ik geef het op. Mijn lief houdt me vast, aait over mijn hoofd. Maar het helpt niet. ‘Lieverd,’ zegt hij dan, ‘ben jij niet gewoon een beetje overspannen?’
Overspannen. Mooi woord eigenlijk. Als mijn lief het uitspreekt ga ik nog harder huilen. Ik wist niet dat dat nog mogelijk was, maar het gebeurt. Mijn laatste restje zelfbescherming verdwijnt. Alle muren die ik in jaren heb opgebouwd worden door die ene zin omver geworpen. Als een vloedgolf spoelt het woord mijn hoofd binnen, en neemt het alles waarvan ik dacht dat ik zeker was, met zich mee.

Voorstelling is afgelopen
Overspannen. Het is raar, maar het horen van het woord lucht me eigenlijk op. Ik hoef niet meer. Het is gebeurd. Het lukt me niet langer de schijn op te houden, en dat is oké. De voorstelling is afgelopen. De ballen vallen op de grond. Ze liggen in het gras en iemand anders zal ze op moeten rapen. Ik vraag hoe het nu verder moet. Ik kan niet naar mijn werk vandaag. Natuurlijk niet. En ik ben opeens zo verschrikkelijk moe. Mijn lief stopt me in bed en belooft ervoor te zorgen dat onze zoon veilig op de crèche komt. Hij belt mijn werk om te zeggen dat ik ziek ben.
Ik huil mezelf in slaap. Als ik om elf uur in de ochtend wakker word, realiseer ik me al voor ik mijn ogen open wat er vannacht is gebeurd; ik ben ingestort. Voor mij geen zalige seconden van onwetendheid. Ik ga naar beneden in mijn ochtendjas. Dat doe ik niet graag. Ik ga altijd eerst douchen, aankleden, opmaken. Vandaag interesseert het me helemaal niets. Ik heb me nog nooit zo leeg en uitgewoond gevoeld als nu. Ik waag een blik in de spiegel. Slecht idee. Mijn gezicht is opgeblazen, mijn ogen dik en rood. Alles aan mij schreeuwt wanhoop. Ik begin opnieuw te huilen.

Ik staat naar mijn tuin, huil, zucht eens wat en huil nog meer

De rest van de ochtend breng ik door in een stoel voor het raam. Ik staar naar mijn tuin, huil, zucht eens wat en huil nog meer. Om twee uur ‘s middags belt mijn lief. ‘Gaat het een beetje?’, vraagt hij. Ik hoef niets te zeggen, hij hoort de snikken en weet genoeg. ‘Heb je al iets gegeten? Dat moet je wel doen hoor.’ Eten lijkt me tamelijk zinloos, maar omdat hij me op het hart drukt het te doen, en hij over een halfuur weer zal bellen om me te checken, smeer ik een beschuitje met jam. Dat zou moeten lukken. Als mijn lief weer belt kan ik hem met enige trots melden dat ik de hele beschuit heb opgegeten. ‘En nu ga je douchen’, zegt hij. Dat doe ik ook maar braaf. Ik lijk er zelfs wat van op te knappen.

Nog maar het begin
Ik besluit onze afdelingssecretaresse te bellen. Ik ben nog niet klaar voor een gesprek met mijn leidinggevende, dat moet maar wachten tot morgen. Of overmorgen… Ik vind het wel nodig dat iemand weet dat mijn afwezigheid misschien wel wat langer zou kunnen duren, dat ik niet gewoon een griepje heb. Of ik wil gewoon mijn hart luchten, dat kan ook. Ik vertel haar kort wat er aan de hand is. Als ik met trillende stem mijn verhaal gedaan heb wil ze me een hart onder de riem steken. ‘Bij mijn vorige baan heb ik het ook meegemaakt’, zegt ze. ‘Het duurde bij mij wel lang voor ik weer beter was hoor, wel een week of zes. Dus neem jij nu ook maar flink de tijd voor jezelf.’ Ergens in mijn hoofd fluistert een stemmetje dat dit nog maar het begin is, en dat het over zes weken nog lang niet zal zijn afgelopen, maar ik kies ervoor haar te geloven. Over een paar weken is alles weer voorbij. Dat is mooi.

Hij houdt me vast tot de tranen weer zijn opgedroogd

Ik vraag haar een aantal lopende zaken op te pakken, en nog even discreet om te gaan met wat ik haar vertel.
De rest van de dag breng ik door in een soort luchtbel. Ik voel geen enkele behoefte van mijn stoel af te komen, en staar naar buiten totdat aan het einde van de middag mijn lief thuiskomt. Ik heb niets gedaan voor het eten, mijn haar heeft nog geen borstel gezien en zodra hij binnenkomt begin ik voor de verandering maar weer eens te huilen. Hij is lief voor me. Houdt me vast tot de tranen weer zijn opgedroogd, bereidt iets te eten voor en gaat dan ons kind halen. Nu deze dag het einde nadert begint het steeds meer in te zinken: ik ben overspannen.
(Foto: Asdrubal Luna/Unsplash)

LEES OOK: WAT IS NOU EIGENLIJK HET VERSCHIL TUSSEN BURN OUT EN OVERSPANNEN?

Wil jij meer innerlijke rust? Het boek 'NIETS' is nu te koop!

'Een mooi en eerlijk boek met een groot inzicht' – Roos Schlikker, schrijver

'Fascinerend verhaal' - Thijs Launspach, psycholoog, schrijver

'Mooi, aangrijpend, kwetsbaar, intiem en moedig' - Saskia Smith, journalist

Koop het boekLees er meer over