Maria’s man had ’n burn out #35: ‘Laat mij maar, ik red me wel – was mijn motto’

Als Maria iets moeilijk vond tijdens de burn out van haar man, dan was het om hulp vragen. Haar mantra ‘Laat mij maar, ik red me wel’ zorgde ervoor dat ze het hoofd soms ternauwernood boven water houdt. Of bijna verdrinkt. En dan… vraagt ze om hulp.

Als kind kon ik net zo fantaseren als Kees de jongen, je weet wel, met die trage tred, van dat boek van Theo Thijssen. Voor mij was fantasie een heerlijke manier om te ontsnappen aan het systeem dat school heet en aan de dingen die ik lastig vond, zoals met groepen omgaan. Thuis was het altijd druk met zussen en broers, dus ik verkoos de stilte van het huis van mijn beste vriendin. Daar, op haar bovenverdieping met zwijgzame jarenzeventig meubels creëerden we een wereld waarin alles mogelijk was. 
Als volwassene deed ik veel dingen in mijn eentje. Ik was de intimiteit van mijn dorp ontgroeid en we waren ergens anders gaan wonen. We liepen over straatstenen waar onze voeten nooit een stap hadden gezet en langs huizen van mensen die we niet kenden.

Als ik vastliep, probeerde ik het in mijn eentje op te lossen

Tijdens mijn werk in vaste dienst vond ik mezelf opnieuw terug in een groep. Een groep van mensen waar ik me in moest bewegen en dat ervoer ik soms als lastig. Liep ik met een opdracht vast, dan probeerde ik het in mijn eentje op te lossen. Misschien was freelancen wel wat. Hoefde ik aan helemaal niemand verantwoording af te leggen. We verhuisden terug naar ons dorp, want we misten toch de zeelucht en de bekenden, en ik zegde mijn baan op. 
Naast het feit dat ik mijn eigen leven kon leiden, dacht ik op dat moment ook dé perfecte oplossing te hebben gevonden voor de werkzorgbalans: ik zou nooit meer een chef hoeven afbellen als er een kind ziek was. Bij ziekte werkte ik ’s avonds in plaats van overdag. Mijn man en ik verdeelden de taken en konden het altijd prima redden. Hulp van andere moeders of familie inroepen deed ik zelden, mijn gezicht laten zien op groepsevenementen bijvoorbeeld van de crèche, daar dácht ik niet eens aan. Ik verkoos mijn eigen vrijheid boven de moederwereld van school en clubjes. Eindeloos koffiedrinken met mijn medemoeders, daar was ik het type toch niet voor.

LEES OOK: HULP VRAGEN, DOE JIJ HET? LEES WAAROM HET ZO BELANGRIJK IS…

Op het moment dat mijn man een burn out kreeg, kwam er met een harde klap een eind aan die vrijheid. Ik moest om hulp gaan vragen, maar dat was ik helemaal niet gewend. Ik deed wat ik altijd deed; ik verstopte mezelf toen het te moeilijk werd. ‘Laat mij maar, ik red me wel’, was mijn mantra. Mijn wereld werd zo compact dat ik mezelf wel erg vaak alleen zag. Zeulend met de kinderen. In de weekenden, op vrije dagen. Terwijl ik andere vrouwen met vriendinnen of met hun moeder zag keuvelen, zat ik daar in mijn eentje de kinderen te vermaken. Dat ik dan ook nog eens geen collega’s meer had, werkte niet bepaald in mijn voordeel; ik kan wel zeggen dat ik vereenzaamde. En bovendien miste ik de zorg van mijn man op de momenten dat ik voorheen altijd nog even deadlines haalde. In het weekend werk inhalen ging niet en de dag dat hij normaal gesproken voor de kinderen zorgde, kwam nu voor een groot deel op mij neer. Geld om extra opvang in te slaan had ik toen niet, want die opdrachten stagneerden. Maar wat doe je dan? Ga je om hulp appen? Wie vraag je als je niet gewend bent om hulp te vragen?

Mijn primaire reactie is kop in het zand en in mijn eentje doorbuffelen

Terwijl ik mezelf ondergraaf in een opdracht, denk ik terug aan mijn vroegere collega, met wie ik zo kon lachen. Die collega ook die steeds maar overlegde met chefs en collega’s. Ze leek over een soort basisvertrouwen te beschikken, als ze met andere mensen was. Zo vrij als een kind vroeg ze om assistentie. Mijn primaire reactie bij werkstagnatie was en is juist kop in het zand en in mijn eentje doorbuffelen, maar ik mis nu de veerkracht daarvoor. Ik moet doen wat zij altijd deed: mijn zwakte laten zien, tegen de redactiechef waar ik de opdracht voor maak zeggen dat ik even niet weet hoe ik verder moet en vragen of zij me wil helpen. Diezelfde dag nog denkt ze met me mee over het artikel. Waarom vind ik het eigenlijk zo moeilijk om om hulp te vragen?

Hulp vragen

Hulp. Omdat je kind ziek is en je moet werken. Omdat je er doorheen zit en even een halfuur buiten verse zuurstof wilt happen zonder dat er een dreumes aan je benen trekt. Omdat je twijfelt over hoe je het allemaal doet en je even wilt horen dat je een goede moeder bent. ‘Ja, maar we leven in een wereld vol mensen die het allemaal niet volledig op een rijtje hebben,’ was lange tijd mijn argument, ‘ze zien me aankomen.’ Die wereld vol vermoeide ouders, gestreste mensen van wie de batterijen rampzalig snel leeglopen. 

‘De lamme leidt de blinde, wat heeft het voor nut?’, zeg ik dan ook tegen mijn jobcoach. ‘Ja, maar die lamme kan zien, en die blinde kan weer lopen, je kunt elkaar altijd ergens in helpen’, is haar antwoord. Verrek, zo heb ik er eigenlijk nog nooit tegenaan gekeken. Een vraag aan mijn redactiechef over het artikel en haar snelle en constructieve reactie erop, maken een einde aan mijn beginnende paniek. Nog steeds nadert de deadline, maar nu ik weet dat er wordt meegedacht, kan ik weer met een frisse blik naar de opdracht kijken. In de vakantie spreek ik eens met een vriendin af. Allebei zijn we lamlendig van de kinderen in de gaten houden en poepluiers verschonen, maar dat wijntje midden in de kakofonie van kindergeluiden smaakt best lekker en samen lachen we erom. Misschien is werken en leven in groepsverband zo gek nog niet. Dan was ik de blinde, die ander de lamme en kwamen we samen toch een heel eind. (Foto: John Schnobridge/Unsplash)

Freelance journalist Maria van Beelen schrijft voor diverse (opvoed)bladen. Ze vertelt op STRESSED OUT over de periode dat haar man met een burn out worstelde.

LEES MEER: OM HULP VRAGEN IS GEEN TEKEN VAN ZWAKTE, INTEGENDEEL, HET IS EEN TEKEN VAN KRACHT!