Maria’s man had ’n burn out #8: ‘Nu zit ík bij de huisarts’

Maria van BeelenNa een flutzomer op een camping met veel plens-en driftbuien kwam de man van Maria van Beelen spierwit thuis van zijn werk. Diagnose: burn out. Maria, zelfstandig schrijver en moeder van drie kinderen onder de 7, schrijft over de periode die daarna volgde. Dit keer: ik moet gaan luilakken, maar hoe?

‘Je moet naar de huisarts joh’, zegt een vriendin en collega. Tijdens ons werk, we zitten met de laptops aan mijn eettafel tegenover elkaar, vertel ik dat ik de vorige avond mijn hart en hoofd niet tot bedaren kon brengen. Ik dacht dat onze kinderen een keer in het duin zouden verdwijnen. Dat ze niet gelukkig opgroeien. Dat iedereen in het dorp en op de school van mijn kinderen iets van ons vindt. Het enige wat ik wilde was mijn hoofd van mijn romp afschroeven en mijn angstige gedachten stoppen. Het feit dat mijn denken zelfs doorgaat in mijn slaap, maakte even dat ik dacht dat ik krankzinnig werd. Mijn man droeg de ontspanningsoefeningen die hij weer van de psycholoog had gekregen aan, maar het leek meer op een aflevering De lamme helpt de blinde. En ik zag angst in zijn ogen. Angst dat ik om ga vallen.

Vroeger had ik al moeite met een paracetamolletje

De vriendin geeft geen oefeningen, maar zegt dus dat ik naar de huisarts moet. Bijpraten kan helpen, daar hoef je niet per se voor naar de psycholoog. Ik heb helemaal geen zin in een gesprek met de huisarts. Ik ben opgegroeid in een familie met dokters-en pillenangst, had vroeger al moeite met een paracetamolletje. Alleen kijkt deze vriendin me zo ernstig aan dat ik ergens voel dat ze een punt heeft. Dus uiteindelijk ga ik. Met tegenzin, maar ik ga.

Meteen huilen
Zodra de huisarts, die zelf ook weet hoe het is om luiers te rapen, me vriendelijk vraagt wat mijn klachten zijn, voel ik dat mijn wangen warm worden. Ik baal van het feit dat ik meteen in huilen uitbarst. Wil niet overkomen als een labiele vrouw. Straks denkt hij nog dat ik ook niet voor mijn kinderen kan zorgen. Maar als ik heel eerlijk ben, kan ik het woord ‘mama’ inderdaad nauwelijks meer verdragen. Het duurt nog zeker tien jaar voordat de herrie in huis over is en dat maakt me moedeloos.

Met een bibberige stem zeg ik tegen de huisarts dat ik me niet zo goed voel

‘Sorry, hoor’, zeg ik terwijl ik een tissue van hem aanpak. Hij zegt dat het niet erg is. Met een bibberige stem zeg ik dat ik me niet zo goed voel. Ook vertel ik dat mijn hoofd soms uit elkaar knalt, dat ik de ruis niet uit mijn oren krijg en de slaap niet kan vatten. Dat ik gek word van de gedachte dat ik niet mag instorten, want mijn man is weliswaar herstellende, maar er nog lang niet. Straks blijft dit voor altijd zo, wíl ik dat? denk ik erachteraan. We hebben drie kleine kinderen; ik kan niet verlangen dat hij nu ineens alle zorgtaken op zich neemt. Niet net nu hij wat meer is gaan werken en nog steeds elke weekend overdag een paar uur onder zeil moet vanwege de herrie en de vermoeidheid. Kortom: ik heb geen idee wat ik moet doen.

Terrein terugwinnen
De huisarts zegt dat ik langzaam mijn terrein moet gaan terugwinnen. Dat mijn man sterker wordt van meer verantwoordelijkheden en dat ik moet gaan zien waar er ruimte voor mij is. Verbaasd over deze optie luister ik naar zijn verdere tips.
Ik antwoord dat ik die tijd eigenlijk wil gebruiken om meer te werken, meer tijd en energie te steken in werk zoeken, zodat we in elk geval van díe spanningen af zijn, maar hij raadt dat af. ‘Nu aan je gezondheid denken, dan aan de rest.’ Ik moet eerst voor mijn eigen zuurstofmasker zorgen.

Nu pas zie ik hoe erg ik dat heb gemist: tijd om bij te komen, alleen

De dag dat ik mijn zoon een dagje extra naar de opvang breng en de andere twee laat overblijven, voelt onwennig. Vrij zijn terwijl ik niet actief naar werk zoek, is net zo raar als vrij zijn terwijl je kinderen ergens anders zitten. Dat gevoel beklijft maar heel even, want al snel voelt het fantastisch om in mijn eentje thuis rond te dwalen. Nu pas zie ik hoe ik dat heb gemist. Tijd om bij te komen. Alleen. Zonder man, zonder kinderen. Zonder roofzuchtige gedachten aan iets stoms als een hypotheek. Kunnen we geen spullen kopen? Ja, jammer dan. Maar dat zijn toch geen dingen waar ik per definitie heel gelukkig van word. In huis slingeren gitaren van mijn man rond, ooit was dat onze gezamenlijke liefde. We hebben het strand, die eeuwige heerlijke luxe zandmassa, gewoon om de hoek. En ik heb mijn vriendinnen met wie ik af kan spreken.

Vreselijk gelukkig
Als ik al mijmerend ons huis aan het opruimen ben, extreem langzaam geniet van de smaak van een bak koffie met een dikke laag melkschuim en de blauwe lucht in mijn vizier krijg zodra ik alle ramen opengooi en de gordijnen heb weggeslagen, voel ik me alleen in huis vreselijk gelukkig. Een poosje later, als mijn man thuis is en op de bank ligt te suffen, de middelste schreeuwt dat hij klaar is met poepen, mijn dochter nog steeds niet thuis is van dat vriendinnetje en de jongste tijdens het koken aan mijn been trekt, denk ik: zal ik in mijn eentje in een hutje op de hei gaan wonen?

Als een goede vriend of vriendin een burn out heeft, wat dan? Tamarah heeft tips

Meepraten over dit verhaal? Dat kan op onze Facebookpagina!